Het ergste baantje dat correspondent Alhamdou uit Senegal in zijn land kon bedenken, was gouddelver: deze mannen doen ruig werk op de meest afgelegen plaatsen. Bovendien slapen ze met prostituées en drinken ze zich te pletter omdat ze geloven dat zondig leven de kans op het vinden van goud vergroot. Alhamdou vertelt over de totstandkoming van zijn eerste bijdrage voor Metropolis:

Correspondent AlhamdouOm het goudzoekersdorpje te bereiken moet je halsbrekende toeren uithalen. Vanuit Dakar (waar ik woon) vertrek je allereerst met de auto voor een rit van 500 kilometer over een verharde zandweg. Dan volgt een slechtere weg die dwars door het Niokolokoba National Park voert, het duurt normaal gesproken drie tot vier uur om daar doorheen te reizen. In het park wonen veel leeuwen, panters en andere wilde dieren. We reden ’s avond door het park toen onze auto stuk ging. Zeer gevaarlijk om uit de auto te gaan, we waren behoorlijk bang.
Gelukkig kregen we de auto even later weer aan de praat, en we vervolgden onze weg naar het goudzoekersdorpje en vanaf daar is het nog een stukje rijden naar de plaats waar echt wordt gegraven.
Daar aangekomen bleek het nog niet mogelijk om te filmen. Er was net iemand doodgegaan. Hij was lang ziek geweest. Dagenlang werkte er daarom niemand, en het regende bovendien heel hard. Het was erg lastig voor ons. Toen vertelde iemand me dat ik colanoten aan de oude marabouts (tovenaars) van het dorp moest geven, toen ik dat had gedaan waren de boze geesten verdreven en konden de goudzoekers weer aan de slag. En wij eindelijk filmen.







